Audi kwam 13 jaar na BMW met sterke 12-cilinder, maar 750iL heeft krachtig wapen tegen overmacht W12

zondag, 8 februari 2026 (12:03) - AutoWeek

In dit artikel:

In de jaren 90 brak Audi met de A8 de aanval op het topsegment van BMW en Mercedes-Benz in. De eerste A8 kwam in maart 1994 op de markt met V6- en V8‑motoren; pas in januari 2001 bouwde Audi in Neckarsulm een twaalfcilinder in het topmodel: de compacte, uit twee VR6‑blokken samengestelde W12. Die zescilinderige constructie (feitelijk twee smalle blokken samengevoegd) meet maar ongeveer 51 × 69 cm, weegt circa 245 kg, heeft dry‑sump smering en maakt permanente vierwielaandrijving (quattro) mogelijk — eigenschappen die in die tijd vooral bij sportwagens werden toegepast.

BMW zat Audi technisch eerder voor met een V12 in de 7‑serie: al vanaf 1988 leverde de E32 750i een vijfliter V12 met circa 300 pk; met de introductie van de E38 (1994) kwam een nieuwe M73‑V12 met 5,4 liter en ongeveer 326 pk. Audi reageerde door de W12 zonder turbo 6,0 liter te maken en 420 pk te leveren — een duidelijk prestatieniveau boven de BMW‑twaalfcilinder.

Beide limousines zijn royaal van binnen, maar met een verschillend karakter. De 7‑serie (met verlengde wielbasis beschikbaar als 750iL) legt de nadruk op comfortabel en neutraal rijden; het chassis en de achterwielaandrijving zorgen voor een verfijnde wegligging die de relatief forse V12 bijna onmerkbaar doet aanvoelen. De A8 daarentegen voelt achterin nog een tikje luxer aan door materialen en afwerking en onderscheidt zich door stilte en isolatie: de W12 is bij stationair toerental nauwelijks hoorbaar. Tegelijkertijd combineert Audi’s aluminium zelfdragende carrosserie (vanaf 1994) een relatief laag gewicht met hoge prestaties.

Die combi vertaalt zich in cijfers: de A8 L 6.0 W12 weegt ongeveer 1.980 kg en sprint volgens de test in 5,3 s van 0–100 km/h; de BMW 750iL is zwaarder (ongeveer 2.070 kg) en doet er 6,9 s over. Ook de tussensprints liegen er niet om (80–120 km/h in 3,2 s voor de A8 versus 4,6 s voor de BMW). De Audi biedt dus meer directe acceleratie en tractie dankzij quattro; de BMW compenseert dat met een harmonieuzer chassisgevoel en meer traditionele achterwielaandrijving.

Commercieel waren de aantallen niet te vergelijken: BMW verkocht tienduizenden V12‑7‑series (onder meer circa 16.658 lange 750iL’s tussen 1994 en 2001), terwijl Audi slechts enkele honderden W12‑A8’s produceerde. Dat schaarse karakter van de A8 W12 en de technische complexiteit betekenen bovendien dat onderhoud en herstelkosten op latere leeftijd flink kunnen oplopen.

Kort samengevat: BMW had in de jaren 90 de technische voorsprong met een verfijnde V12 en een rijgedrag dat veel bestuurders waardeerden; Audi koos ervoor later én radicaal te reageren met een innovatieve, compacte W12 en quattro‑aandrijving, gekoppeld aan een licht aluminium karkas en nadruk op luxe en stilte. Beide auto’s belichamen de decadente topklasse van hun tijd, met elkaar concurrerende prioriteiten: BMW op chassisbalans en rijplezier, Audi op brute kracht, vierwielaandrijving en afwerking.