Chinese automerken omzeilen invoerheffingen via Europese fabrieksdeals

maandag, 1 juni 2026 (07:08) - Auto Internationaal

In dit artikel:

Op 20 mei maakten Stellantis en het Chinese Dongfeng plannen bekend voor een gezamenlijke Europese samenwerking waarbij technologie en productie worden geruild: Stellantis neemt Dongfeng’s voertuigtechnologie voor Europa onder haar hoede, terwijl Dongfeng de Stellantis-fabriek in Rennes (Frankrijk) overneemt om er elektrische auto’s van het premiummerk Voyah te bouwen. Daarnaast krijgt Dongfeng toegang tot het Europese distributienetwerk van Stellantis. Rennes, ooit goed voor circa 400.000 auto’s per jaar, draait inmiddels nauwelijks meer productie en assembleert nog maar enkele Citroën C5 Aircross-modellen.

De deal valt in een breder, groeiend internationaal patroon waarbij Chinese autofabrikanten stagnerende, laagbezet­te buitenlandse fabrieken overnemen of joint ventures aangaan om tariefbarrières te omzeilen. Door lokale productie kunnen zij invoerheffingen ontwijken die sinds 2024 fors zijn verhoogd: de EU verhoogde per oktober 2024 de heffing op Chinese elektrische auto’s, de VS leggen tarieven tot 127,5% op, en Brazilië schuift zijn tarieven stapsgewijs omhoog (van 10% in 2024 naar 35% in juli dit jaar). Voor Chinese aanbieders, wier binnenlandse markt verzadigt raakt, is schaalbare buitenlandse productie daarom strategisch noodzakelijk.

In Europa ontstaan felle discussies over de transacties. Voorstanders wijzen op de kans om werkgelegenheid terug te brengen in onderbezette fabrieken en nieuwe EV-technologie lokaal te introduceren; critici spreken van een “Paard van Troje” waardoor goedkope Chinese auto’s zich makkelijker toegang tot markten verschaffen. Europese fabrikanten staan voor een dilemma: ze hebben behoefte aan kapitaal en technologie tijdens de moeizame transitie naar elektrisch rijden, maar vrezen dat samenwerking met Chinese partijen hun eigen concurrentiepositie kan ondermijnen.

Stellantis zelf is geen nieuwkomer in dergelijke samenwerkingen: in 2023 zette het al een joint venture op met Leapmotor en onderzoekt het nu productie van de Leapmotor B10 in de Opel-fabriek van Zaragoza, waar de bezettingsgraad rond 60% schommelt. Ook andere Europese productielocaties trekken Chinese interesse: de gesloten Volkswagen-fabriek in Dresden, en in Spanje wordt eveneens overleg gevoerd met merken als Hongqi. Buiten Europa zoeken Chinese concerns hun kansen in Latijns-Amerika; in Mexico bieden inmiddels negen Chinese bedrijven om de voormalige Aguascalientes-fabriek (voorheen Nissan–Mercedes joint venture), waarbij BYD en Geely vergevorderd zijn. BYD loopt voorop in internationalisatie: het opende vorig jaar al een fabriek in Brazilië met 150.000 EV-capaciteit en plant productievestigingen in Hongarije.

De snelle expansie van Chinese merken wordt versterkt door de zwakte van traditionele autogroepen die te traag reageerden op de EV-transitie en daardoor met verliezen en dalende marktaandelen kampen. Stellantis rapporteerde vorig jaar een fors operationeel verlies (circa €22 miljard netto) onder andere door het afblazen van plannen voor lokale EV-productie in de VS; ook Nissan leed zware verliezen.

Er zijn waarschuwingssignalen dat deze beweging niet alleen Europa en Noord-Amerika raakt, maar ook Zuid-Korea: Hyundai en Kia concurreren op veel dezelfde exportmarkten en kunnen zwaar worden getroffen zodra Chinese merken lokaal produceren en zo zowel kosten- als “lokaal geproduceerd”-voordelen behalen. Zoals een hooggeplaatste autobestuurder waarschuwde: “Het overdragen van fabrieken is een kortzichtige maatregel, want als het marktaandeel van Chinese auto’s sneller groeit, zal de recessie onvermijdelijk verergeren.” Deze uitspraak onderstreept de angst dat goedkope, technologisch competente Chinese EV’s zonder handelsbarrières de concurrentiedruk op gevestigde producenten verder opvoeren.

Kortom: de overname- en coöperatiestrategieën van Chinese autofabrikanten zetten de wereldwijde autosector onder druk en dwingen gevestigde spelers tot lastige keuzes tussen kortetermijnfinanciering, toegang tot technologie en lange-termijnstrategische autonomie.