De Amerikaanse droom: hoe de Boeing 2707 de Concorde had moeten verslaan
In dit artikel:
In de jaren zestig zette de VS, naar aanleiding van de Europese Concorde en de Sovjet Tu-144, een eigen supersonisch programma (SST) op. Boeing won eind 1966 de opdracht om de Boeing 2707 te bouwen: een groot passagiersvliegtuig dat Mach 2,7 zou halen en initieel meer dan 250 reizigers moest kunnen vervoeren. De FAA voorzag een afzetmarkt van zo'n 500 toestellen; 26 maatschappijen, waaronder KLM, Delta en Alitalia, plaatsten gezamenlijk 122 bestellingen.
De ontwikkeling liep al snel vast op natuurkundige en technische problemen. Het eerste concept gebruikte verstelbare vleugels (swing-wings) met een titanium scharnierblok van circa 2.100 kilo, wat het toestel te zwaar maakte en de vliegbereik beperkt. In 1968 schakelde Boeing daarom over op een conventionele deltavleugel, waarbij de passagierscapaciteit terugviel naar ongeveer 234.
Een doorslaggevende belemmering was echter niet alleen techniek maar ook maatschappelijke weerstand: milieu- en gezondheidszorgen over uitstoot in de stratosfeer en vooral de sonic boom. Testvluchten boven Oklahoma City in 1964 leverden bijna tienduizend klachten en veel schadeclaims op, waardoor supersonisch vliegen boven bewoond gebied onpraktisch bleek. Toen de kosten opliepen en politieke steun slonk, stopte de Amerikaanse Senaat in maart 1971 de financiering. Ruim 1 miljard dollar was al uitgegeven; twee prototypes zijn nooit voltooid. Boeing ontsloeg tienduizenden werknemers, waarvan velen later aan de succesvolle ontwikkeling van de subsonische Boeing 747 gingen werken.
Tegenwoordig is de ambitie om supersonisch passagiersvervoer haalbaar te maken teruggekeerd: NASA werkt met het X-59-experiment en commerciƫle partijen zoals Boom spannen zich in voor nieuwe ontwerpen (bijvoorbeeld de 80-zits Overture richting 2029), in de hoop de problemen die de 2707 deden stranden te vermijden.