De Mazda RX-7 bewijst tegen Alfa Romeo Alfetta GT wat een goede sportwagens de Japanners maakten

dinsdag, 17 maart 2026 (08:18) - AutoWeek

In dit artikel:

In de jaren zeventig zochten sportautoliefhebbers vooral hun heil bij Europese merken als Porsche, BMW en de Italiaanse toppers. Japanse sportwagens hadden in die tijd geen sterke reputatie, zeker niet met de omstreden rotatiemotor. De komst van de Mazda RX‑7 in 1978 veranderde dat beeld: een compacte coupé met wankelmotor die bedoeld was om te concurreren met onder meer de Datsun 240Z en de instap-Porsche’s.

De RX‑7 (Savanna in Japan) heeft een 1,1‑liter rotatiemotor achter de vooras, een vrijwel 50:50 gewichtsverdeling en leverde rond de honderd pk; door het lage gewicht en de multilink‑achterwielophanging bood hij voor zijn tijd opvallend vlotte prestaties en uitstekende wegligging. Praktisch en esthetisch oogt de eerste generatie (SA22C/FB, tot 1985) nu als een klassieke verschijning: laag zitten, goede zichtlijnen en een sportief maar eenvoudig interieur. In de praktijk valt vooral de uiterst precieze vijfversnellingsbak op en het verfijnde loopgedrag van de wankelmotor: hij voelt bij lage toeren tame­lijk aan, maar ontpopt zich boven ongeveer 4.000 tpm tot een vlakke, snel optredende aandrijflijn die tot hoge toeren wil doordraaien. Nadelen zijn het beperkte koppel en het ontbreken van stuurbekrachtiging, maar het stuurgedrag en de draaicirkel zijn verrassend gunstig. Mazda bouwde van deze eerste generatie ruim 470.000 exemplaren, waarvan veel naar de VS gingen; latere series kregen lichte technische en uiterlijke aanpassingen en er kwamen turboversies en grotere motoren in sommige markten.

De Alfa Romeo Alfetta GTV (midden jaren 70) bouwt voort op de sportieve reputatie van Alfa. Ontwerp van Giugiaro, een comfortabele achterbank voor niet al te grote volwassenen en een ruime bagageruimte maken hem praktischer dan de RX‑7. De 2,0‑liter GTV‑motor gromt karakteristiek en presteert goed als je toeren maakt; de auto voelt bij circa 5.000 tpm op zijn best. Rijden vereist wel gewenning: de pook helt naar de bestuurder en schakelen is minder intuïtief, het onverzwaarde stuur toont flink onderstuur bij hogere snelheid en de rembekrachtiging is licht, wat juist door puristen gewaardeerd kan worden. De Alfetta‑familie kreeg later zescilinder‑varianten (GTV6) en racesuccessen — de GTV6 won tussen 1982 en 1985 viermaal achtereen het ETCC — en Alfa bouwde in totaal zo’n 137.000 exemplaren van dit modeltype.

Vergelijkend: de Alfa overtuigt met looks, geluidskarakter en meer gebruiksgemak qua binnenruimte; de Mazda scoort op rijbeleving, schakelen en het unieke, levendige karakter van de rotatiemotor. Hoewel de verwachting vooraf naar de Alfa neigde, geeft de proefrit de voorkeur aan de RX‑7: verrassend verfijnd, opwindend boven de 4.000 tpm en inmiddels bewezen betrouwbaar, waardoor de wankel‑mythe van fragiliteit grotendeels ontkracht is.