Gemiste kans: Peugeot 604 GL
In dit artikel:
Peugeot’s grote limousine, de 604, werd bij de presentatie in Genève (1975) aanvankelijk als triomf ontvangen: een statige sedan met V6, hoge comfortstandaard en goede persreacties. Toch bleef commercieel succes uit. In tien jaar tijd werden slechts 153.252 exemplaren verkocht — gemiddeld zo’n 15.000 per jaar — een teleurstellend resultaat voor een model in het hogere segment.
Aanvankelijk liep het goed: de 604 trok aandacht, vond een plek als ministersauto in Den Haag en kreeg later een sportievere Ti-uitvoering en in 1979 een turbodiesel, waarmee Peugeot inspeelde op de tweede oliecrisis. Maar daarna stokte de productstroom: er kwamen te weinig varianten en vooral geen betaalbare 4‑cilinder benzineversie. Terwijl concurrenten (Mercedes W123, BMW, Ford Granada, Volvo) meerdere motoropties boden, hield Peugeot vast aan ‘top‑end’ motoren. Het ontbreken van een 2,0‑liter instap‑604 (bijv. een GL) maakte de auto onbereikbaar voor veel potentiële kopers en verhinderde het continueren van een stabiele orderstroom.
De motivatie van Peugeot om geen goedkopere 604 te introduceren was dat die mogelijk de in 1979 gelanceerde 505 zou kannibaliseren. Dat bleek een misplaatste vrees: het publiek had in 1979 nog steeds behoefte aan een grotere opvolger van de 504 en niet per se aan de 505. Peugeot miste zo een kans om klanten te behouden met relatief lage ontwikkelkosten. Daarnaast waren er eerdere strategische blunders: de 104 werd zonder ruime achterklep uitgebracht toen vergelijkbare modellen juist die praktische deur kregen; bij de 504 Coupé/Cabriolet verving Peugeot de oude 2,0‑viercilinder onhandig door de zwaardere V6, wat later moest worden teruggedraaid.
Ook de productplanning liet te wensen over. Na de 604 duurde het tot eind 1977 voordat een nieuw model (de 305) kwam — te lange pauzes voor een volumegericht merk. De 305 werd bovendien als opvolger van de 404 geëtaleerd, terwijl klanten haar zagen als een licht aangepaste 304. De lege plek die de 404 achterliet, werd daardoor niet adequaat ingevuld.
De schrijver betoogt dat Peugeot de prioriteiten had moeten verschuiven: niet zozeer een nieuwe 505 ontwikkelen, maar investeren in een moderne opvolger van de 404 (voorwielaandrijving, moderne motoren, formaat vergelijkbaar met latere 406) en de 604 uitbreiden met een betaalbare GL‑variant. Met een gerichte facelift rond 1980 en een nieuwe diesel in 1982 had de 604 veel beter kunnen presteren.
Kort gezegd: de 604 faalde niet puur door ontwerp of kwaliteit, maar door onhandige modelpolitiek en gemiste kansen — intern veroorzaakt door strategische keuzes die marktsignalen en concurrentieaanbod onvoldoende volgden.