Geweldig coupégenot uit de gloriedagen van Alfa Romeo en Fiat
In dit artikel:
In de jaren zestig bood de klasse tot circa 1.500 cc veel aantrekkelijke coupés en cabriolets, vaak met sterke concurrentie binnen Italië zelf. Twee representatieve Italiaanse coupés uit die periode zijn hier belicht: de Alfa Romeo “Bertone” coupé (Tipo 105-serie) en de Fiat 124 Sport Coupé.
Alfa Romeo Bertone coupé
De Bertone-coupé ontstond als sportieve uitvoering van de Giulia (oorspronkelijk Giulia Sprint GT) en liep van 1963 tot 1976 in productie. Het ontwerp van Bertone bleef herkenbaar, terwijl typebenamingen en motoren in de loop der tijd veranderden. Aanvankelijk droeg hij een 1,6-liter dubbele bovenliggende nokkenasmotor uit de Giulia Berlina (±106 pk, top ~180 km/h). Later verschenen snellere varianten zoals de Sprint GTV (iets meer vermogen, ~185 km/h), de 1750 GTV (132 pk, 190 km/h, 0–100 km/h in 9,7 s) en vanaf 1972 de 2000 GTV (150 pk, 195 km/h, 0–100 in 8,7 s) met subtiele uiterlijke aanpassingen (o.a. bredere achterlichten).
Voor belastingbewuste markten bood Alfa vanaf 1966 de Junior-lijn met kleinere cilinderinhoud (1300 en later 1600) die sportieve prestaties combineerde met lagere belastingen; de GT 1300 Junior was het populairst (ruim 91.000 stuks). Coachbuilders droegen bij aan speciale varianten: Touring bouwde tussen 1964 en 1966 zo’n duizend cabriolets (GTC), en Zagato maakte op het Junior-onderstel eigen hatchbackversies. Voor de autosport leverde Alfa sterk afgeslankte GTA-versies (A = Alleggerita). In totaal rolde ruim 224.000 Bertone-coupés van de band. Een opmerkelijke nevenfeit: het 105-onderstel diende — met aanpassingen — ook als basis voor de Alfa Montreal.
Fiat 124 Sport Coupé
De Fiat 124 Sport Coupé volgde in 1967 als concurrent op de Alfa en de Lancia Fulvia Coupé. Gebouwd op het 124-berlina onderstel, kreeg hij de 1,4-liter twin-cam motor uit de recentere Sport Spider (Lampredi-ontwerp, 90 pk) en werd in de moderne Rivalta-fabriek in Turijn vervaardigd. Innovaties waren onder meer gelijmde voor- en achterruiten.
De Sport Coupé evolueerde in drie series. Vanaf herfst 1968 was een vijfbak als optie te bestellen en kreeg de auto een verbeterde achteras. In november 1969, na circa 113.000 exemplaren, introduceerde Fiat een tweede serie met dubbele koplampen, grotere achterlichten, gewijzigde stoelbekleding en de nieuwe 1,6-liter uitvoering (110 pk) — daarbij werd de vijfbak standaard. Deze generatie leverde een comfortabeler rijgedrag en verkocht ongeveer 99.000 exemplaren. Eind augustus 1972 verscheen de derde serie met nieuwe neus en achterzijde, gewijzigd interieur en motoraanbod: de 1,4 verdween, terwijl 1,6- en 1,8-motoren uit de nieuwere 132 werden toegevoegd (±108–114 pk afhankelijk van bakkeuze). Na ruim 66.000 auto’s van deze laatste serie stond de teller bijna op 280.000 totaal; in maart 1976 verdween de 124 Sport Coupé uit de prijslijsten. Concurrentievervaling, onder meer door de introductie van de Lancia Beta Coupé in 1973, deed het model uiteindelijk de das om.
Kortom: beide coupés illustreren de rijke Italiaanse coupékultuur van de jaren ’60 en ’70 — Alfa zette in op sportieve varianten en raceafgeleiden met een ruime modelreeks, terwijl Fiat met massaproductie, technologische details en geleidelijke seriesvernieuwingen hoge productieaantallen behaalde.