Grote auto's en krappe parkeervakken: de dagelijkse strijd met auto-obesitas
In dit artikel:
Autobezitters en parkeergarages lopen steeds vaker tegen elkaar aan: moderne personenauto’s worden in de afgelopen jaren groter, breder en zwaarder — een ontwikkeling die mobiliteitsexperts soms “auto‑obesitas” noemen — terwijl de parkeervakken in veel steden nog volgens regels uit de jaren zeventig zijn ingericht. Gemiddeld groeien auto's ongeveer 1 centimeter per twee jaar, maar veel openbare en ondergrondse garages hanteren nog de oude afmetingen (destijds gangbaar: 4,50 m lang bij 2,20 m breed). Dat maakt inparkeren lastiger en vergroot de kans op schade en frustratie.
De trend wordt gevoed door de populariteit van SUV’s en cross‑overs, consumentenvoorkeuren voor hogere instap en comfort, en door dikkere deuren en extra carrosserieverstevigingen voor sensoren, katalysatoren en veiligheidssystemen. Tegelijk houden projectontwikkelaars vaak vast aan minimale normmaten om kosten te drukken en worden parkeergarages in de praktijk een krappe bijzaak onder woningen, met steunpilaren en indelingen die flexibiliteit beperken.
Als reactie kiezen sommige parkeerexploitanten ervoor minder plekken aan te bieden, zodat de resterende vakken ruimer kunnen worden (2,40–2,50 m breed), wat wendbaarheid en gebruiksgemak verbetert. Voor structurele verbetering zijn herziening van bouwbesluiten en een andere ontwerpprioritering bij nieuwbouw nodig om parkeercapaciteit en -afmetingen toekomstbestendig te maken.