Honda Prelude vs. BMW 220i: "Verrassend genoeg stuurt deze véél beter"
In dit artikel:
Honda en BMW leveren twee heel verschillende benaderingen van de betaalbare sportcoupé. Honda brengt de teruggekeerde Prelude als voorwielaangedreven, elektrisch aangedreven voertuig met 184 pk; die kracht komt van een synchroonmotor achterin die gevoed wordt door een zeer kleine 1,1 kWh-accu. Die accu wordt continu bijgeladen door een generator gekoppeld aan een atmosferische 2,0-liter viercilinder (143 pk) die als range-extender fungeert. De Prelude deelt het onderstel met de Civic Type R en imiteert met een S+-stand een achttrapsbak inclusief schakelschokjes, tussengas en flippers om de beleving van een conventionele sportauto na te bootsen — een plausibele truc, al ontbreekt het karakteristieke VTEC-omslagpunt.
De BMW 220i Coupé kiest juist voor het klassieke recept: een 2,0-liter turbomotor met 184 pk en 300 Nm via een achttrapsautomaat naar de achterwielen. Met een prijs die iets hoger ligt (ruim €62.000 versus ongeveer €57.000 voor de Prelude) voelt de 220i in eerste instantie minder charismatisch op motorgevoel, maar hij levert vlak en royaal koppel tussen ~1.500–4.500 tpm en gedraagt zich op de weg veel meer als een traditionele sportcoupé.
In de praktijk blijkt de Prelude technisch inventief en overtuigend in zijn rollenspel, met meer direct stuurgevoel, maar het toegepaste elektronica en voorwielaandrijving beperken het grensgebied en zorgen eerder voor onderstuur. De BMW daarentegen geeft dankzij achterwielaandrijving, een neutrale balans en de mogelijkheid om met ESP uit speelser te rijden veel meer rijplezier; hij voelt beheersbaar en levendig, zelfs zonder extreem hoge snelheden of een sperdifferentieel.
Kort gezegd: Honda biedt een slimme, theatrale en technisch interessante herinterpretatie van de coupé — aantrekkelijk geprijsd en fraai bedacht — terwijl de BMW 220i meer puur rijplezier, klassieke dynamiek en emotie levert voor wie achterwielaandrijving waardeert.