Je tank kost ruim 100 euro, maar ergens wordt daar juist grof aan verdiend
In dit artikel:
Je staat bij de pomp: vijftig liter Euro95 kost nu snel zo’n 120 euro doordat de gemiddelde literprijs rond €2,39 ligt. De directe aanleiding is geopolitieke onrust — onder meer de oorlog met Iran en de sluiting van de Straat van Hormuz — waardoor de wereldwijde oliemarkt in beroering is en brandstofprijzen omhoogschieten.
Tegelijkertijd schrijven grote olieconcerns recordcijfers. Shell rapporteerde in Q1 2026 een aangepaste winst van 6,9 miljard dollar en kondigde een aandeleninkoop van 3 miljard plus een hoger dividend aan. Ook TotalEnergies, BP en Eni zagen hun marges en kasstromen toenemen: hogere grondstoffenprijzen en onrust betekenen voor raffinage, handel en productie vaak meer winst.
Waarom grijpt Den Haag die winsten dan niet af om de pomp goedkoper te maken? Dat blijkt ingewikkelder dan het klinkt. Allereerst is er al een tijdelijke verlaging van de Nederlandse brandstofaccijns tot en met 31 december 2026: circa €0,845 per liter benzine, €0,552 per liter diesel en €0,199 per liter LPG. Een aanvullende algemene accijnsverlaging raakt daarnaast breed: niet alleen lage-inkomensrijders profiteren, maar ook zware of luxe rijders — een politiek onwenselijk en kostbaar instrument als doelgericht hulp de bedoeling is.
Bovendien komt de staat op een andere manier automatisch meeprofiteren: de btw van 21% wordt over de totale pompprijs berekend. Als de brandstofprijs stijgt, groeit de btw-opbrengst evenredig; de accijns zelf is een vast bedrag per liter en verandert niet met de ruwe olieprijs.
Het idee van een speciale heffing op ‘oorlogswinst’ kent precedenten — in 2022 voerde Nederland tijdelijk een solidariteitsbijdrage in (33% extra belasting over buitensporige winst boven een bepaalde drempel) — maar zulke maatregelen lokten direct rechtszaken uit. Terugwerkende of sectorspecifieke winstaftapjes stuiten op juridische en fiscale vragen over wat normale winst is en waar die precies is behaald binnen multinationals.
Het kabinet kiest daarom voor een meer gerichte route: bijna €1 miljard aan maatregelen gericht op betaalbare mobiliteit en bedrijfscontinuïteit. Denk aan een hogere onbelaste reiskostenvergoeding, steun aan bedrijven, beheer van strategische olievoorraden en opschaling van het Landelijk Crisisplan Olie naar fase 1. Financieel defensiever voor de schatkist, maar voor de automobilist levert het op korte termijn weinig verlichting aan de pomp.
Kortom: zolang de Nederlandse economie afhankelijk blijft van olie en geopolitieke schokken de prijzen direct beïnvloeden, blijft de vraag wie de rekening betaalt — de automobilist, de overheid of de olie-industrie — scherp en terugkerend.