Jij betaalt je scheel, terwijl oliereuzen 3.000 dollar winst per seconde pakken: waarom Den Haag niet ingrijpt
In dit artikel:
Nederland organiseert deze week in Santa Marta (Colombia) een internationale top om het gebruik van fossiele brandstoffen versneld af te bouwen. Tegelijkertijd weigert het kabinet op dit moment mee te doen aan een voorgestelde Europese heffing op de overwinsten van energiebedrijven. Die tegenstrijdigheid krijgt extra gewicht door nieuwe berekeningen van Oxfam Novib: Chevron, Shell, BP, ConocoPhillips, Exxon en TotalEnergies zouden in 2026 gezamenlijk kunnen uitkomen op ongeveer 94 miljard dollar aan winst — grofweg 2.967 dollar per seconde volgens de projectie.
Minister Heinen van Financiën gaf op 24 april aan dat Nederland zich voorlopig niet aansluit bij vijf andere EU-landen die pleiten voor een extra heffing. De regering vindt het juridisch nog te vroeg om van overwinsten te spreken en vreest dat een aanvullende belasting de markt kan verstoren. Critici noemen dit problematisch omdat onderzoeken van Transport & Environment laten zien dat Europese wegbrandstoffen dit jaar waarschijnlijk zo’n 24 miljard euro aan extra winstmarges opleveren — kosten die direct bij automobilisten terechtkomen.
In plaats van een windfalltax kiest Den Haag voor een compenserend pakket: extra middelen voor een Noodfonds Energie en een verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding. Voor veel forensen voelt dat als een beperkte tegemoetkoming terwijl multinationals recordwinsten boeken en de benzineprijzen onverminderd hoog blijven.
Oxfam waarschuwt bovendien dat de energietransitie onevenwichtig verloopt. Cruciale mineralen voor schone technologieën liggen vooral in het mondiale Zuiden, maar de grootste winsten en investeringen blijven in rijke landen hangen. Hoge-inkomenslanden trekken ongeveer de helft van de groene investeringen naar zich toe; Afrika ontvangt nog geen 2 procent. Zonder bewuste, eerlijke beleidskeuzes dreigt de transitie nieuwe ongelijkheden te bestendigen, waarbij zowel grondstoffenleveranciers als gewone consumenten de rekening betalen.
De kernvraag blijft: kan Nederland in Santa Marta koppelen aan harde financiële maatregelen thuis, of blijft de internationale ambitie beperkt tot symbolische stappen terwijl de baten van fossiele winsten bij grote olie- en gasbedrijven terechtkomen?