Mercedes-Benz 190 EVO II: de straatlegale DTM-racer met brute aerodynamica
In dit artikel:
De Mercedes‑Benz 190 EVO II is een iconische homologatiespecial uit de jaren negentig, ontwikkeld om de concurrentie in de DTM te verslaan. Om in 1990 aan de regels te voldoen moesten fabrikanten minimaal 500 straatlegale exemplaren van hun raceauto bouwen; Mercedes‑Benz produceerde er precies 502. Die productie gaf het merk het startbewijs dat uiteindelijk leidde tot het DTM‑kampioenschap van Klaus Ludwig in 1992.
Technisch is de EVO II een sterk gerichte performance‑auto met een gemodificeerde M102‑viercilinder van 2,5 liter, schuin geplaatst en met een kortere slag dan eerdere 2.5‑16‑varianten. De straatversie levert 235 pk bij 7.200 tpm en is elektronisch begrensd op 250 km/u; de racevariant werd door verdere optimalisaties opgevoerd tot circa 373 pk. De auto is gebouwd om soepel hoog in het toerental te blijven draaien, essentieel voor circuitgebruik.
Opvallend zijn de agressieve aerodynamische ingrepen: een grote, handmatig instelbare aluminium achtervleugel, een kunststof kap over het bovenste deel van de achterruit om de luchtstroom naar de vleugel te sturen, en flink uitgeklopte wielkasten met 17‑inch zespookvelgen — door toenmalig designchef Bruno Sacco de “strijdwielen” genoemd. Kleine details zoals het verlaagde kofferslot dat in de Mercedes‑ster verdwijnt zijn direct voortvloeiing van die aero‑aanpassingen.
Bij introductie kostte de EVO II ruim 120.000 Duitse mark, tegenover ongeveer 38.000 mark voor een standaard 190 E. Door de lage oplage en racehistorie is het model nu een gewild verzamelobject; originele exemplaren halen inmiddels gemakkelijk honderdduizenden euro’s. Productieauto nummer 222 staat momenteel tijdelijk tentoongesteld in het fabrieksmuseum in Stuttgart als herinnering aan deze mijlpaal uit de DTM‑geschiedenis.