Na de overheid willen nu ook autofabrikanten zelf de topsnelheid van nieuwe modellen beperken
In dit artikel:
Autofabrikanten beginnen steeds vaker auto's kunstmatig in snelheid te beperken — niet primair uit veiligheids- of milieuoverwegingen, maar uit financiële noodzaak. Olivier François, CEO van Fiat, opperde onlangs om nieuwe modellen te begrenzen op 120 of zelfs 110 km/u zodat dure sensors en complexe systemen niet nodig zijn. Deze systemen (ADAS: noodrem, rijbaanassistentie, vermoeidheidsherkenning) zijn volgens fabrikanten veel goedkoper te ontwerpen als ze alleen bij lagere snelheden moeten presteren.
De trend is al zichtbaar: Volvo limiteerde in 2020 alle modellen op 180 km/u en ook Renault zet beperkingen in bij EV's (Megane E‑Tech 160 km/u, nieuwe R5 150 km/u). Sportieve modellen ontsnappen er nauwelijks aan; de verwachte Peugeot e‑208 GTI wordt ook gekort. Bij betaalbare elektrische auto's is de beperking soms extreem: Dacia Spring rond 125 km/u, Citroën ë‑C3 135 km/u. Naast kosten speelt bij EV's ook het bereik een rol: hard rijden vreet stroom.
Voor Nederlandse bestuurders (die overdag vaak aan 100 km/u zitten) lijkt het praktisch beperkt effect te hebben, maar principieel betekent het verlies van de traditionele mogelijkheid om harder te rijden, bijvoorbeeld op Duitse autobahnen. De beweging laat zien dat regelgeving en technologische eisen de auto niet alleen veiliger en schoner maken, maar ook substantieel langzamer — een keuze die fabrikanten steeds vaker uit boekhoudkundige overwegingen maken.