Nederland had ooit regionale kentekens, maar het werkte heel anders dan je denkt

donderdag, 23 april 2026 (14:45) - Autobahn

In dit artikel:

Al sinds 1 januari 1906 kende Nederland een regionaal kentekensysteem, maar het werkte heel anders dan de beroemde Duitse regiocodes. De overheid gaf platen uit per provincie en niet per voertuig: een kenteken was persoonsgebonden. Eigenaren kregen een bewijs op naam en namen bij aanschaf van een nieuwe auto de donkerblauwe plaat met witte letters en cijfers simpelweg mee naar het volgende voertuig.

De letters op die platen verwezen wel naar provincies, maar de toewijzing was niet intuïtief: Groningen kreeg bijvoorbeeld A, terwijl G voor Noord‑Holland stond en H voor Zuid‑Holland. Door de groei van het aantal auto’s raakten vooral drukke provincies snel door hun lettervoorraad heen; in Zuid‑Holland ontstonden al snel extra combinaties zoals HZ.

Na de Tweede Wereldoorlog bleek het persoonsgebonden, provinciale systeem onpraktisch. Auto’s reden veel vaker buiten de eigen provincie, en registratie verspreid over provinciale administraties bemoeilijkte politietoezicht en belastinginning. In 1951 werd daarom het fundament gelegd voor een landelijk stelsel waarbij het kenteken aan het voertuig (chassis) werd gekoppeld. De overgang was afgerond toen de laatste donkerblauwe provinciale plaat in 1956 verdween.

Tegenwoordig heeft Nederland neutrale gele platen die landelijk en voertuiggebonden zijn, wat betere traceerbaarheid en administratieve eenvoud biedt. Terwijl regiocodes in een groot land als Duitsland praktisch en herkenbaar zijn, past in het compacte Nederlandse wegennet het uniforme nationale systeem beter bij handhaving en belastingheffing.