Nederlandse staat harkt meer van de automobilist, maar geeft minder uit aan energietransitie
In dit artikel:
Benzineprijzen van meer dan €2 per liter en stijgende accijnzen maken veel automobilisten zuur, en recente cijfers van het CBS geven daar een financiële kant aan: inkomsten uit accijns op motorbrandstoffen, bpm en motorrijtuigenbelasting zijn sinds 2020 gestaag gestegen tot ongeveer €16 miljard per jaar in 2024. Wegvervoer is daarmee goed voor ruim zestig procent van de belastingopbrengst op energie.
Tegelijkertijd laat het overheidsbeleid een verschuiving zien: in 2024 werd in totaal €34 miljard aan energiebelasting geïnd, waar €7,5 miljard aan kortingen van afging — zodat €26,5 miljard overbleef. Van dat bedrag ging slechts €4,4 miljard naar de energietransitie. Dat is minder dan in 2023, toen de opbrengst €30,6 miljard bedroeg, kortingen €11,3 miljard en de investering in de transitie €5,1 miljard — ondanks de ongunstige economische omstandigheden door de Russische invasie.
De cijfers roepen vragen op over prioriteiten: terwijl burgers worden aangemoedigd elektrisch en zuiniger te rijden, lijkt de staat minder te investeren in de overgang en geeft zij minder verlichting via kortingen. Dit betekent niet per se dat de overheid de extra opbrengsten enkel voor luxe uitgaven gebruikt — het begrotingsplaatje is complex — maar het draagt wel bij aan het gevoel bij automobilisten dat zij onevenredig worden aangeslagen. Voor de lange termijn blijven er beleidskeuzes nodig over hoe inkomsten uit fossiele brandstoffen worden gebruikt en hoe de transitie eerlijk en betaalbaar kan worden gefinancierd.