Start-stop systeem levert 5 procent brandstofbesparing op maar versnelt slijtage van de accu aanzienlijk

woensdag, 25 februari 2026 (14:16) - Autobahn

In dit artikel:

Het start‑stop­systeem — bedoeld om bij stilstand (bijvoorbeeld voor een rood licht) de motor uit te schakelen en zo brandstof en CO2 te besparen — kwam halverwege de jaren 2000 op grote schaal in auto's na de invoering van de Euro 5‑norm. Op papier levert het in stadsverkeer besparingen op tot ongeveer vijf procent en lagere emissies tijdens testcycli.

In de praktijk wegen die marginale brandstofvoordelen voor veel bestuurders echter niet op tegen de technische en financiële nadelen. Continu starten legt een grote piekbelasting op het elektrische systeem; fabrikanten gebruiken daarom zwaardere startmotoren en duurdere AGM‑ of EFB‑accu's. Toch leidt het frequente herstarten tot snellere slijtage: accu's die in oudere auto's soms zeven jaar meegaan, moeten in start‑stop‑auto's vaak al na drie tot vijf jaar vervangen worden. Omdat die speciale accu's aanzienlijk duurder zijn, verdampt een groot deel van de pompbesparing bij de garage.

Daarnaast veroorzaakt het systeem praktische ergernissen: schokkerig rijgedrag, tijdelijke uitval van airconditioning en veel bestuurders schakelen het systeem meteen handmatig uit — soms via een gemakkelijke knop, soms via omslachtige menunavigatie.

De kritiek heeft ook politiek bereik gekregen. In de Verenigde Staten overweegt de EPA onder leiding van Lee Zeldin stimulansen voor start‑stop te schrappen; hij stelt dat het systeem weinig geliefd is en vooral goede cijfers voor fabrikanten oplevert. In Europa gelden momenteel nog strengere emissieregels, waardoor de systemen voorlopig verplicht blijven. De discussie illustreert hoe klimaatmaatregelen op papier en de praktische kosten voor consumenten soms ver uit elkaar kunnen lopen.

Kort aanvullend: moderner aanbod zoals 48V‑mildhybrides en volledig elektrische voertuigen kan veel van dezelfde stadswinst bieden zonder dezelfde slijtageproblematiek.