TEST Mini Cooper elektrisch vs benzine - de EV wint door compleet onverwacht voordeel
In dit artikel:
De driedeurs Mini Cooper blijft een auto die vooral op gevoel gekocht wordt: pret achter het stuur staat voorop, praktische bruikbaarheid komt op de tweede plaats. De bagageruimte is klein (210 liter), met neergeklapte rugleuning maximaal 725 liter bij de benzineversie en 800 liter bij de elektrische, maar echt praktisch wordt het er niet door. Daarnaast zit de voorruit ver naar voren, wat het zicht bij verkeerslichten kan bemoeilijken.
Met het John Cooper Works-optiepakket (5114 euro voor de Cooper S, 7000 euro voor de Cooper SE) oogt beide modellen sportief; 18-inch wielen zijn standaard bij de SE, terwijl de benzineversie daar nog eens 700 euro voor rekent. Het onderstel is opvallend stug, precies zoals liefhebbers van het merk verwachten: compacte, scherp sturende auto’s die rijplezier boven comfort zetten.
De Cooper S heeft een tweeliter turbomotor met 204 pk, de elektrische SE een elektromotor van 218 pk; beide sprinten in iets meer dan 6,5 seconden naar 100 km/u. De benzineversie overtuigt met levendig motorgeluid en toerentalreactie, al aarzelt de zeventraps dubbele koppeling soms. De SE is 320 kg zwaarder, maar dankzij directe koppelafgifte voelt hij scherper aan. Afhankelijk van het rijprogramma is de SE stil of produceert hij een kunstmatig geluid via de speakers.
Mini claimt een rijbereik van 402 km voor de SE; in de test kwam dat uit op circa 267 km. Laden kan met maximaal 95 kW. Rekening houdend met rijbeleving per euro komt de elektrische Cooper SE als winnaar uit de bus — meer sensatie voor je geld, ondanks hogere afschrijving. De keuze blijft uiteindelijk: benzine-gevoel of elektrische prikkel.