Toen deze versie kwam was het kantje boord voor de Porsche 911
In dit artikel:
In de jaren zeventig leek het einde nabij voor de klassieke achterin geplaatste 911-motor, maar met de introductie van de 911 SC zette Porsche onverwacht een succesvolle doorstart. Terwijl Porsche in die periode met de nieuwe, voorin geplaatste V8‑GT 928 wilde moderniseren, hield de trouwe klantenkring vast aan de 911. Dat leidde ertoe dat de SC vanaf 1977 in productie bleef en uiteindelijk tussen 1977 en 1983 in totaal 57.585 keer verkocht werd (waarvan 21.548 Targa‑varianten). Directeur Ernst Fuhrmann, die aanvankelijk het einde van de 911 voorzag, vertrok in 1980; zijn opvolger Peter W. Schutz zette de lijn van behoud en doorontwikkeling door, onder meer door de latere komst van een echte cabriolet en de opvolger Carrera 3.2.
De SC vertegenwoordigt een duidelijk volwassenere fase van de 911‑geschiedenis: hij voelt minder nerveus en is rijdbaarer dan de vroege G‑modellen, maar bewaart nog altijd de karakteristieke lijnen en het gedrag van een rear‑engine Porsche. De standaardmotor vanaf 1977 was een 3,0‑liter luchtgekoelde zescilinder boxermotor met mechanische injectie, goed voor 180 pk (later opgevoerd naar 188 pk in 1980 en 204 pk in 1981). Belangrijke cijfers: 2.994 cc, 132 kW/180 pk, 265 Nm, 0–100 km/h in circa 7,0 s, topsnelheid ca. 225 km/h, leeggewicht 1.160 kg en een verbruik rond 13,6 l/100 km.
In een rijtest met een Grand Prix‑witte Targa komt de balans tussen karakter en bruikbaarheid naar voren. Het geluid van de luchtgekoelde boxermotor en het lange, robuuste schakelen herinneren aan oudere generaties; de koppeling vraagt forse pedaalkracht en de versnellingswegen zijn lang. Toch biedt de SC voldoening in bochten: hij bijt zich in het asfalt, reageert voorspelbaar en blijft beheersbaar, ook als de achterkant bij gas loskomen iets onrustig wordt. Rechtuit accelereren is met hedendaagse maatstaven niet spectaculair, maar het rijplezier schuilt in de levendigheid en het vermogen om zuinig met de limieten om te gaan.
De Targa‑oplossing verdient aparte vermelding: in 1966 bedacht Porsche deze ‘veiligheidscabriolet’ met rolbeugel en uitneembaar dakpaneel om Amerikaanse regelgeving te omzeilen; vanaf eind jaren zestig werd een vaste achterruit standaard. In 1978 werd het 911‑programma sterk versmald tot alleen Turbo en SC, totdat eind 1983 de Carrera 3.2 het stokje overnam en de volwaardige 911‑cabriolet werd geïntroduceerd.
Kortom: de 911 SC gaf de iconische achterinmotor‑traditie een forse adempauze en speelde een sleutelrol in de renaissance van de 911 — een model dat dankzij klantenloyaliteit en slimme productbeslissingen toch nog een lang leven kreeg.