Tweede Kamer eist aanpassing van onwerkbare pseudo-eindheffing voor brandstofauto's
In dit artikel:
De geplande pseudo-eindheffing voor zakelijke personenauto’s, die op 1 januari 2027 moet ingaan, stuit op grote praktische bezwaren en leidt tot politieke druk om de regels aan te passen. De heffing is bedoeld werkgevers te stimuleren alleen emissieloze auto’s beschikbaar te stellen; wie toch een niet-elektrische auto ter beschikking stelt, betaalt 12% van de catalogusprijs per jaar (1% per maand).
Werkgeversorganisaties — waaronder BOVAG — stuurden een brandbrief omdat de regeling ook tijdelijk vervangend vervoer raakt. Als een werknemer bij onderhoud of schade een leenauto krijgt, geldt meteen de volledige maandelijkse heffing. Bij een leenauto met een cataloguswaarde van €50.000 betekent dat €500 per maand; kruist de leenperiode een maandgrens, dan kan een werkgever voor twee maanden betalen terwijl de auto maar kort werd gebruikt. De organisaties schatten de mogelijke jaarlijkse lasten voor het bedrijfsleven op circa €1 miljard. Schadeherstelbedrijven, verhuurbedrijven, rijscholen en autodealers noemen bovendien dat directe elektrificatie onmogelijk is door lopende leasecontracten en netcongestie die nieuwe laadpunten belemmert.
Op 31 maart nam de Tweede Kamer een motie van CDA en VVD aan die het kabinet vraagt vóór 1 juni met werkbare oplossingsrichtingen te komen voor onder meer vervangend vervoer, schadeherstelbedrijven en rijscholen. BOVAG spreekt van een positieve uitkomst en gaat in overleg met het ministerie van Financiën en de Belastingdienst. De branche pleit ervoor de heffing te beperken tot de permanente auto van de zaak en een uitzondering te maken voor tijdelijk vervangend vervoer, met een maximumtermijn van één maand.