Van de ruimte naar het asfalt: waarom het dit bizarre project van Wubbo Ockels in een museum eindigde
In dit artikel:
Begin deze eeuw leidde astronaut en TU Delft-hoogleraar Wubbo Ockels het project Superbus: een elektrisch, 15 meter lang voertuig met de gestroomlijnde looks van een raceauto en de lengte van een stadsbus, ontworpen om op speciale banen 250 km/u te rijden en zo reistijden drastisch te verkorten—denk aan binnen een uur van de Randstad naar Groningen in plaats van ruim twee uur. Het plan ontstond rond 2003 tijdens de discussie over de Zuiderzeelijn; het ministerie van Verkeer en Waterstaat stopte zeven miljoen euro in een demonstrator, met medewerking van TU Delft en vervoerder Connexxion.
Het prototype, in 2010 getest en in 2011 gepresenteerd op vliegveld Valkenburg (en later getoond in Dubai), was opvallend: ultralicht door koolstofvezelconstructie, ontworpen door ex-F1-aerodynamicus Antonia Terzi, met individuele vleugeldeuren en luxe stoelen. In mei 2012 kreeg het voertuig zelfs een Nederlands kenteken (BZ‑XG‑15), waarmee het formeel op de openbare weg mocht komen.
Toch strandde de droom op praktische bezwaren. De Superbus vereiste honderden kilometers uiterst rechte, verwarmde exclusieve rijstroken—bouw en onderhoud daarvan bleken financieel en technisch onhaalbaar, waardoor het voordeel ten opzichte van conventionele spoorlijnen verdween. Capaciteitsproblemen speelden ook parten: het voertuig bood plaats aan hooguit dertig passagiers; om het reizigersaantal van een intercity te evenaren, zouden tientallen Superbussen in snelle opvolging moeten rijden, wat ernstige veiligheidsrisico’s met zich meebrengt bij hoge snelheden en korte volgafstanden. Daarnaast was het ontwerp onpraktisch voor alledaags OV‑gebruik: er was geen toilet en het was nauwelijks toegankelijk voor rolstoelgebruikers.
Na Ockels’ overlijden in 2014 en het intrekken van het kenteken belandde het prototype in opslag en tentoonstellingen; wat ooit een visionair concept was, staat nu stil als museumstuk. De casus Superbus illustreert dat innovatieve technologie—elektrische aandrijving, lichtgewicht materialen en aerodynamica—niet automatisch genoeg is. Infrastructuurkosten, capaciteit, veiligheid, toegankelijkheid en integratie in bestaand vervoersnetwerk vormen vaak de beslissende drempels bij grootschalige vervoersvernieuwing.