Waarom Amerikanen hun benzine per gallon afrekenen, ondanks een wet uit de jaren zeventig
In dit artikel:
De Verenigde Staten rekenen aan de pomp nog steeds in US gallons (1 US gallon = 3,785 liter), ondanks dat het land in 1975 formeel koos voor het metrische stelsel. President Gerald Ford tekende toen de Metric Conversion Act en zette een United States Metric Board op om de omslag te begeleiden. Cruciaal was dat die overgang vrijwillig was; daardoor liep de ommezwaai vast op consumentenweerstand en politieke keuzes. Toen Ronald Reagan in 1982 de financiering voor het project staakte, stokte het proces definitief voor de alledaagse markt.
Praktische en psychologische redenen verklaren waarom de gallon bleef hangen: het zou enorm veel kosten en logistiek vergen om tienduizenden tankstations om te bouwen, maar belangrijker nog waren automobilisten gewend aan prijzen per gallon in relatie tot miles per gallon van hun auto's. Verandering van labels leidde tot verwarring en onvrede, waardoor handelaren weinig prikkel hadden om over te stappen. Tegelijkertijd is het onjuist te denken dat het metrische stelsel in de VS verboden of volledig afwezig is: het wordt veelvuldig gebruikt in wetenschap, geneeskunde, defensie en bepaalde industrieën.
Een opvallend voorbeeld bewijst dat de keuze vooral marktgedreven is: Point Roberts, een Amerikaanse exclave in Washington die alleen via Canada bereikbaar is, prijst benzine vaak in liters en accepteert Canadese dollars. Omdat de lokale economie sterk afhankelijk is van Canadese klanten, schakelden ondernemers zonder juridische belemmering over op liters. Dat toont aan dat de Amerikaanse vasthoudendheid aan de gallon meer te maken heeft met consumentengewoonten en commerciële logica dan met technische onmogelijkheden of wetgeving.
Voor Europese automobilisten is die vasthoudendheid relevant omdat Amerikaanse pompprijzen per gallon soms alarmerend lijken, maar bij omrekening naar euro's per liter vaak minder schrikken dan de hogere accijns in Europa.