Waarom Chinese elektrische auto's ook zonder extra heffingen geen cent goedkoper worden voor jou
In dit artikel:
Brussel en Peking hebben onlangs een akkoord gesloten over elektrische auto’s: in plaats van de eerder aangekondigde hoge extra importtarieven voert de EU een systeem van minimum importprijzen in. Op papier voorkomt dat directe handelsspanningen, maar in de praktijk verandert er voor de consument weinig — de prijzen in de showroom blijven hoog, terwijl de extra opbrengst niet naar de Europese schatkist gaat maar bij de Chinese fabrikanten en deelnemende producenten terechtkomt.
Analyse van onder meer de Frankfurter Allgemeine Zeitung laat zien dat het mechanisme werkt als een bodemprijs: auto’s mogen niet onder een vastgestelde grens worden verkocht. Daardoor verdwijnen de potentiële inkomsten uit tariefheffingen die anders naar de EU zouden vloeien; fabrikanten houden die marge zelf. Voor kopers betekent het dat modellen niet goedkoper worden, voor Europa betekent het gemiste belastinginkomsten en voor China een winstmarge die kan worden ingezet voor innovatie of uitbreiding van verkoopkanalen.
Een concreet voorbeeld is de Cupra Tavascan (volledig in China geproduceerd). Zonder het oude dreigende tarief van meer dan 20 procent zou dit model vrijwel onverkoopbaar zijn geworden in Europa. Volkswagen diende vroeg een voorstel voor een minimumprijs in om de verkoop mogelijk te houden — wat de auto redt maar de consument wel de rekening laat betalen.
De deal werd partly gedreven door bezorgdheid uit Duitsland: grote concerns zoals Volkswagen en BMW willen wraakacties uit China vermijden en hebben veel productie en afzet in de Chinese markt. Het Chinese ministerie van Handel prees de overeenkomst als constructieve dialoog. Kritiek komt erop neer dat Brussel de eigen markt beschermt door prijsafspraken te faciliteren, waardoor concurrentie vervormd wordt en Europese burgers en publieke financiën de nadelen dragen.